P.C. Hooft-prijs 2017 (Beschouwend proza)

Details:

e P.C. Hooft-prijs 2017 is dit jaar bestemd voor beschouwend proza en is uitgereikt op een feestelijke bijeenkomst in het Literatuurmuseum, op donderdag 18 mei 2017.

De P.C. Hooft-prijs 2017 voor het gehele oeuvre van Bas Heijne is toegekend op voordracht van een jury bestaande uit:
Jacqueline Bel
Kees ’t Hart
Kristien Hemmerechts
David Van Reybrouck, voorzitter
Dirk van Weelden

Winnaar:

Bas Heijne

Juryrapport P.C. Hooft-prijs 2017:

Geloof in de kracht van de verbeelding gaat hand in hand met
twijfel. Iedere poging om scherper, dieper te zien gaat gepaard
met de angst voor een fatale kortzichtigheid. Staat de verbeelding
de perceptie niet in de weg? Zien we wel écht?

(Bas Heijne, Echt zien, 2011)

In een hoofdstuk in Onredelijkheid uit 2007, waarin Bas Heijne zijn jeugd in Zwanenburg in de jaren zeventig beschrijft, vertelt hij over een ambitieus jongensproject dat hij zijn Documentatiecentrum noemde; dat project bestond uit door hem met knipsels gevulde ordnermappen. Het waren geen teksten, maar vooral beelden, foto’s, directe weergaven van werkelijkheden ver weg. Die hele wereld moest bestreken worden, alles, dankzij dit knippen en inplakken op de maat van het eigen leven worden toegeëigend. Nadat het Documentatiecentrum eerst razendsnel uitgroeide tot een uitpuilende archiefkast, keerde het zich op een dag tegen de documentalist: ‘Het moment waarop ik besefte dat ik bezig was met een onhaalbare opdracht. De wereld bleek te groot om met schaar en Pritt-stift te lijf te gaan. Het zou me niet lukken mijn Documentatiecentrum te voltooien.’

En niet veel later bekruipt hem zelfs het gevoel dat ‘mijn opdracht niet alleen onmogelijk was, maar ook zinloos. De wereld waar ik zo hevig naar verlangde – weg uit Zwanenburg, weg uit een bestaan dat niet meer beloofde dan dat het was – kwam niet dichterbij doordat ik hem uitknipte en inplakte. Hij leek steeds verder verwijderd!’ Dat er in diezelfde dagen een Winkler Prins-encyclopedie in huize Heijne belandt, helpt niet meer. Hij weet dat hij die nooit zal openslaan.

Dit sprakeloze isolement, dit nog ongerichte verlangen naar inzicht en ervaring, is misschien wel de kiem van Heijnes oeuvre aan essays en columns. Het combineert een alomvattende nieuwsgierigheid, om zonder onderscheid van alles in de wereld op de hoogte te zijn, overal het fijne van te weten, met het verlangen naar inzicht, naar antwoorden op fundamentele vragen: wat betekent dat voor mij? Wat is het waard, wat betekent het deel uit te maken van die werkelijkheden? Dat kan alleen door niet zomaar op te gaan in de woelige wereld, maar ook een ‘centrum’ te hebben vanwaaruit die wereld bekeken kan worden. Niet meer via beelden uit de verte, maar met woorden, die de afstand beschrijven en verkleinen, door gelezen te worden. De sprakeloze afstand verandert in een geschreven betrekking, in het openbaar, te midden van tegenstemmen en lezers.

Bas Heijne studeerde Engelse taal- en letterkunde, schreef twee romans, verwierf een positie in de literaire wereld en trad in de jaren negentig toe tot de redactie van nrc Handelsblad. Hij vertaalde de schrijvers die zijn blik op het leven en de maatschappij bepaalden (Conrad, James) en bestudeerde het werk van Couperus. Met deze paar zinnen is de basis beschreven voor het ‘centrum’ vanwaaruit hij die sprakeloosheid en het isolement van de jongen uit Zwanenburg zou bestrijden. Hij ontwikkelde zich tot een zeer veelzijdig en gezaghebbend columnist en essayist.

Waar andere essayisten zich grotendeels tot hun vak beperken (bijvoorbeeld de literatuur, de geschiedenis, de antropologie of de psychologie) en zich in hun essays op die vakkennis of bepaalde filosofische uitgangspunten beroepen, staan de beschouwingen van Heijne zonder claim op bijzondere deskundigheid in de wereld. Zijn belezenheid, ook buiten het strikt literaire, is het gevolg van eenzelfde nieuwsgierigheid die leidde tot grote vertrouwdheid met de populaire cultuur, met de wereld van televisie, de cinema, de populaire en klassieke muziek en de nieuwsmedia. Als columnist houdt hij zich bezig met het wantrouwen tussen politici en kiezers, met schandalen rond een Kamerlid of realitytelevisie. Met De Rijdende Rechter en met het optreden van politici in talkshows. Hij richt zich scherp tegen drogredeneringen en schijnheiligheid uit alle politieke richtingen en twijfelt hardop aan de ideologische waarden waarmee hij, en velen met hem, zijn opgegroeid. Hij wil beschrijven en begrijpen hoe de wereld waarin we leven verandert. In zijn essays onderzoekt hij populisme, cultuurpessimisme, de verraderlijke invloed van het begrip identiteit, de zeggingskracht van beeldende kunst en literatuur.

Doordat Heijne zich niet beroept op een wetenschap of een politieke ideologie, zelfs niet op een filosofische positie – hij is een goedgeïnformeerd burger en lezer van literatuur –, is de toon waarop hij schrijft niet die van een deskundige, een boven de werkelijkheid en maatschappij zwevende stem, die zijn lezers eens even zal uitleggen hoe het allemaal zit. Hij is niet uit op het formuleren van de juiste positie of de strategie die tot de oplossing van problemen leidt. Hij nodigt je uit mee te denken, in soepel en hedendaags Nederlands, en achter de gemeenplaatsen, de botsende meningen en mythes, de rapporten en de media te kijken waar het nu in termen van de geleefde werkelijkheid om gaat.

Bas Heijne schrijft als een scherp formulerende lezer, iemand die krant, geschiedenisboek, roman en film in zich heeft opgenomen, zoals zovelen met hem, en die voor zichzelf spreekt als de wereld hem verbijstert of uitdaagt. In zijn werk fungeren zijn geschreven ervaringen van het kijken naar films, televisie en de krant vaak als aanleiding. Zijn gereedschapskist voor het dieper doordringen in al deze zaken is vooral gevuld met voorbeelden uit de kunst, uit muziek en beeldende kunst, maar vooral uit de literatuur. Omdat daar de koppeling te maken is met de individuele ervaring, de geleefde werkelijkheid die nooit simpelweg in schema’s en begrippen en goed-kwaadtegenstellingen te vangen is. Die ontsnapt aan de kaders van beleid, politiek, moralisme, mode en mythe. Waar tragiek en onvermogen, onvervuld verlangen, onredelijkheid en schoonheid ook meespelen. En niet voor niets gaat zijn voorliefde uit naar schrijvers die het modernisme aankondigen, die zich verbonden weten met de sociale dimensie van de roman uit de negentiende eeuw, maar de kloof tussen het individu en de maatschappij onderzoeken. Zijn voorbeelden zijn Joseph Conrad, Henry James en Louis Couperus.

Met een kritische, literaire blik treedt hij de actualiteit tegemoet in zijn columns en onderzoekt hij achtergronden en diepere verbanden in zijn essays. De literatuur en het schrijven zijn voor hem geen geruststellende droomwerelden die soelaas bieden tegen de aanslagen van verwarring, ongeluk en verlies. De literatuur is geen mooiere, troostrijke wereld. Ze levert eerder werktuigen waarmee Heijne de valse zekerheden van experts, bestuurders, volksmenners en geestelijk leiders, van woordvoerders en wonderdokters ontmaskert. Waarmee hij een ander inzicht opent op kwesties als migratie, ongelijkheid, hoog‑ tegen laagopgeleid, de geluksindustrie en de duistere kanten van technologisch denken.

Heijnes stijl is soepel, hij schakelt in alle helderheid van leesverslag naar herinnering, van vileine typering naar serieuze argumenten. Zijn proza is een genot om te lezen, ook als hij tegenspraak oproept. De lezer wordt door zijn lenige en heldere stijl onmiddellijk betrokken in zijn gedachtegang. Zijn stijl is persoonlijk maar nooit particulier, steeds is de herinnering, de emotionele reactie herkenbaar als een scherp geformuleerd instrument dat zijn gedachten over het onderwerp inzichtelijk moet maken. Ook in zijn taal en stijl is Heijne bij uitstek een literair columnist en essayist.

Bas Heijne is een schrijver met een bijzondere positie als columnist en essayist, die over een enorme verscheidenheid aan actuele onderwerpen en kwesties schrijft, en de hedendaagse cultuur op een geëngageerde manier volgt. Hij schrijft over haatvloggers en De Ring van Wagner, over Hollywoodfilms en Couperus, over Euro26 pese referenda en de toekomst van de roman. Zijn werk geeft een vernieuwende impuls aan wat literatuur in maatschappelijke zin betekenen kan: een vorm van weten en kijken, van denken en schrijven die zich zinvol kan koppelen aan het openbare debat, aan politieke discussies, aan pogingen culturele veranderingen te begrijpen, aan gesprekken over waarden, over geluk en vrijheid, geloof en solidariteit. En vooral de vorm waarin hij dat doet is bijzonder: hij schrijft als een denker, en denkt als een lezer. En dat kunnen we allemaal zijn.

Hij ontloopt het strijdtoneel der meningen en de hitte van de actualiteit niet, hij maakt televisieprogramma’s en werkt bij de krant. Maar hij laadt die betrokkenheid op met een extra waarde, en die is gelegen in een stap terug uit de actualiteit: hij bekijkt de kwestie als een lezer van literatuur. Als iemand die intellectuele beschouwingen alleen zinvol vindt als ze te koppelen zijn aan hoe mensen als individu en sociaal wezen hun levens leven. Afstand en betrokkenheid, scherpte en twijfel; dankzij zijn stijl versterken ze elkaar in zijn werk. Hij is daarmee een vitaal exponent van een Nederlandse essaytraditie. De jury voor de P.C. Hooft-prijs 2017 draagt dan ook met volle overtuiging Bas Heijne voor als kandidaat voor de P.C. Hooft-prijs 2017 voor beschouwend proza.

Laudatio door Cornald Maas:

In zijn essay Angst en schoonheid beschrijft Bas hoezeer de samenstellers van de in 1929 verschenen bloemlezing Werk van Louis Couperus met de schrijver in hun maag zitten.

Bewondering en afkeer gaan gelijk op bij dr. A.J. de Jong en Jacob Hiegentlich. Hij kon prachtig schrijven, maar zijn levensopvatting was volgens hen een gevaarlijke misvatting: ‘Het idee dat een mens zijn lot niet in eigen hand heeft, dat hij de wereld waarin hij geboren is niet kan doorgronden en dat hij zich moet neerleggen bij wat hem gegeven wordt.’

Couperus zou amoreel zijn. Zijn fundamentele onzekerheid bezorgde de bloemlezers ongemak, stelt Bas, en er zijn daarna nog talloze pogingen gedaan om hem vooral om te vormen tot een ‘geriefelijke’ schrijver, een schrijver van vroeger die de nostalgie van Den Haag en Nederlands- Indië niet schuwt. Van dat ‘odeur’ wil Bas Louis Couperus bevrijden, en dat lukt hem wonderwel in een betoverend essay waarin hij de actuele betekenis van het werk van Couperus blootlegt. Hij analyseert en doorleeft zijn romans, hij treedt in zijn voetsporen en keert steeds weer terug naar de kernvraag uit diens oeuvre: ‘Hoe betekenis te geven aan een bestaan dat geen betekenis lijkt te hebben?’ En zo beantwoordt hij uiteindelijk de vragen die ik mezelf stelde toen ik tijdens mijn studie Nederlands een scriptie over Couperus schreef – want hij is ook míjn favoriete Nederlandse auteur.

‘Geen Nederlands schrijver,’ concludeert Bas, ‘die zo goed onze aangeboren hang naar veilige conventies begreep, onze instinctieve neiging om onze blik te beperken, onze behoefte om ons vast te klampen aan rigide waardenstelsels, de wijde blik te ontwijken, empathie als teken van zwakheid te beschouwen, onszelf geriefelijk terug te trekken in onze eigen kortzichtigheid.’ Hij portretteert Couperus als de man die altijd op zoek was naar wat hij nooit kon vinden – tijdens zijn reizen, in zijn schrijverschap, tijdens zijn leven. Hij las hem voor het eerst toen hij een jaar of achttien was, en hij vond hem toen vooral een ‘brutale’ schrijver die mensen trefzeker neerzette en was gefascineerd door de thema’s van Couperus: vergankelijkheid en verdwijnende passie, de beperktheid van het bestaan, het ontzagwekkende besef dat je er op een gegeven moment niet meer zult zijn. Couperus laat zien, stelde Bas meer dan eens, hoezeer schijn bedriegt en wat er achter de façade gebeurt, in onze hoofden en harten – de grote gevoelens, de immense hartstochten, en hoe we die in het leven van alledag lang niet altijd verzilveren.

De opdracht die we ons dankzij het oeuvre van Couperus zouden kunnen stellen, vertelde Bas me toen ik hem in mijn tv-programma Opium interviewde: ‘We zitten in een wereld die we eigenlijk nooit kunnen begrijpen, en dan moet je ontdekken wat voor jou zinvol is.’ Dat is niet alleen de kern in het oeuvre van Couperus, maar ook in het werk van Bas zélf, vind ik, in zijn beschouwingen en essays – in die zin is Angst en schoonheid niet minder dan een zelfportret.

Couperus leerde Bas meer over zichzelf dan welke denker ook, schrijft hij. De vragen die hij stelde zijn nog altijd actueel: hoe kan een mens zichzelf overeind houden in ‘een wereld waarin alles vergankelijk is, waarin geen blijvend houvast te vinden is in geloof, filosofie, ideologie, en waarin de mens die zich ontworstelt aan de benepenheid van zijn eigen kleine sociale wereld niet automatisch een rijker, zinniger leven wacht, maar misschien juist de wanhoop van de totale leegte’. En Couperus vond de antwoorden niet, of misschien waren de vragen juist het antwoord – hij realiseerde zich gaandeweg in elk geval steeds duidelijker, aldus Bas, dat de tergende onzekerheid juist ‘voorwaarde was om zinvol te kunnen leven’.

Daar manifesteert zich de grote verwantschap tussen Bas en de door hem zo bewonderde schrijver: ook Bas wordt gedreven door onzekerheid, of, zoals hij het zelf formuleert, door het ‘aangeboren onvermogen om me over te geven aan één geloof, één vaste overtuiging, één wereldbeeld. [...] Mijn chronische twijfel dwong me steeds om verder te kijken, alles opnieuw tegen het licht te houden, overal een vraagteken bij te zetten.’ En, concludeert Bas: ‘Die zwakte bleek uiteindelijk een kracht.’ Dat blijkt overtuigend uit zijn essays, zijn beschouwingen, zijn columns, zijn verhalen en romans. Bas onderzoekt zonder zeker te weten, observeert in onbevangenheid, doorgrondt, geeft betekenis aan wat geen betekenis lijkt te hebben, gedreven door het devies dat hij in het tv-interview met mij aldus formuleerde: ‘Achter de dingen die je ziet is altijd iets wat je níet ziet.’

Zijn beschouwingen over de kunsten – literatuur, film, muziek, beeldende kunst – spreken mij het meest aan. Daarin onderzoekt hij wat voor ons het leven de moeite waard maakt, en daarin analyseert hij wat verbeelding vermag, zonder daarbij het wankele evenwicht tussen verbeelding en werkelijkheid uit het oog te verliezen. In Angst en schoonheid citeert hij de Amerikaanse schrijver Henry James: ‘Kunst maakt het leven.’ Maar Bas voegt eraan toe dat verbeelden gemakkelijk inbeelden kan worden, en een mens niet alleen in illusies kan leven, omdat je je dan afsluit van de menselijke ervaring en je de complexiteit van de werkelijkheid tekortdoet. Liever niet aldoor de blik gericht op een wijder verschiet, maar desnoods op jezelf, met als voornemen de schoonheid in het alledaagse te ontdekken. Te lang worstelde Bas ermee, schrijft hij in Leeswoede, dat hij van zijn leven geen verhaal kon maken, te vaak had hij zijn hand uitgestoken ‘naar wat uiteindelijk onbereikbaar bleek te zijn’.

Kunst kan, schrijft hij in hetzelfde essay, ‘reële betekenis geven in een wereld die betekenisloos dreigt te worden’ – en met zijn reflectie daarop draagt Bas daar nog eens extra aan bij. Hij schreef trefzekere beschouwingen over wat grote schrijvers ons te vertellen hebben: Fjodor Dostojevski, Milan Kundera, Michel Houellebecq, Bret Easton Ellis, Tim Parks, Frans Kellendonk. En uiteraard de door Bas vaak geciteerde Pools-Britse schrijver Joseph Conrad, vooral bekend van het door Bas zo geliefde meesterwerk Heart of Darkness, die in zijn memoires stelt dat in onze verbeelding ‘onze diepste waarheden over onszelf en de wereld’ hun beslag krijgen: ‘We zijn het verhaal dat we onszelf over onszelf vertellen. Zonder dat verhaal kunnen we niet leven.’ Maar ook hij ziet, net als Henry James, dat dat verhaal een schaduwkant heeft en ons volledig kan opslokken, en ons zelfs gestoord kan maken, en dan zijn we weer terug bij Couperus: ‘Geen schrijver die zich daar zo van bewust was als hij,’ schrijft Bas in Angst en schoonheid.

Ook in beschouwingen over andere kunstvormen geeft Bas op verrassende wijze betekenis. Lees zijn verhalen over de componisten Puccini, Strauss en Wagner, en over beeldend kunstenaar Marcel Duchamp. Onderga zijn beschouwingen over films en kijk nóg eens, met andere ogen, naar Goodbye Lenin!, over het verlangen naar verloren authenticiteit, of American Beauty, waarin Bas zo getroffen was door de scène waarin de in het nauw gedreven kolonelszoon Ricky, die het dagelijks leven vastlegt op video, in adoratie zijn blik laat rusten op een plastic zak die door de lucht dwarrelt. Bas gaf de scène op roerende wijze betekenis, nog vóór andere beschouwers dat deden: als er niets meer rest en alles je ontnomen lijkt, heb je altijd nog je blik op de schoonheid.

Betekenisvol en scherpzinnig zijn uiteraard de verhalen waardoor Bas het meest zichtbaar is en waarvoor hij in brede kring de grootste waardering krijgt: zijn beschouwingen en columns over maatschappelijke vraagstukken en de grote thema’s van deze tijd, in een wereld die steeds meer polariseert en versplintert en waarin mensen naar een nieuw houvast zoeken, niet geruggensteund door lei ders die een groter verhaal hebben en blijk geven van een moreel kompas. Steeds opnieuw stelt hij het aan de orde: hoe verhoud je je tot de wereld, tot het grotere geheel? Wat betekenen begrippen als verbinding, gemeenschap en identiteit? Hoe komt het dat het hedendaagse populisme de burger de illusie van zelfbeschikking teruggeeft?

Het komt aan de orde in zijn vorig jaar verschenen essay Onbehagen. Nieuw licht op de beschaafde mens, en ook hierin benadrukt hij het weer, het belang van verhalen die betekenis geven: ‘Zonder verhalen – noem het mythes, noem het godsdienst, noem het cultuur – kan een mens niet goed mens zijn.’

Maar eerlijk gezegd geniet ik ook nogal van de verhalen waarin Bas zich op – ogenschijnlijk – trivialere onderwerpen stort, en met analyses komt die ik tevoren niet voor mogelijk had gehouden. Zo herontdekte hij voor nrc Handelsblad zangeres Liesbeth List, wier carrière op dat moment in het slop zat. Bas analyseerde de kracht van haar vocale kwaliteiten en podiumpresentatie en ik begreep beter waarom ik al sinds mijn vroegste jeugd een bewonderaar van List was geweest. Voor de zangeres zélf was Bas’ beschouwing niet minder dan een ommekeer: ze is hem er eeuwig dankbaar voor, en laat geen gelegenheid onbenut om dat te benoemen. Zelf liet ik me ook niet onbetuigd: weken achtereen luisterde ik bij Bas thuis op vrijdagavond naar Lists vertolking van het door Frank Boeijen geschreven prachtlied ‘De verzoening’, en dan gingen Bas en ik daarna samen uit, naar het coc, ik met alweer een kersverse fantasieblouse, Bas in minder kersverse schoenen met ten minste één losse veter en met een shirtje dat hij tot zijn grote genoegen voor een spotprijs op de kop had getikt – Bas is altijd een fan geweest van aanbiedingen.

Met even groot gemak presenteerde Bas eyeopeners over Lisa Stansfield, ‘Back to life’ van de Britse popgroep Soul ii Soul en, vooruit, een kraker van het Cocktail Trio. Als we samen een slasher movie bezochten en het mes er op een onbewaakt ogenblik voor de zoveelste keer in ging (‘Daar gaan we weer,’ zinderden we dan van genot), kwam Bas achteraf toch nog met een verhandeling. Of het me ook was opgevallen dat overspel – of toch in elk geval losbandig gedrag – immer wordt bestraft. Of hij citeerde een theorie van de Amerikaanse academica Carol J. Clover over de ‘final girl ’, dat ene meisje dat overblijft wanneer alle anderen dood zijn – nooit een jongen, want naakte angst kan het best worden getoond door emoties die in de samenleving als typisch vrouwelijk gelden. En voor ik het wist legde Bas uit waarom het traditionele feminisme niet uit de voeten kan met dit soort horrorfilms.

Soms ging Bas nog een stapje verder en zette hij zijn van bewondering getuigende woorden om in daden. Een interview met soulzanger Barry White: dat wilde hij wel.

En hij publiceerde in nrc Handelsblad een stuk dat eigenlijk geen interview was. Bas was – gehinderd door zenuwen? – amper aan een vraag toegekomen. Zijn verhaal was, herinner ik me althans, veel meer een beschrijving van zijn fascinatie voor Barry White dan een vraaggesprek, en een verrassende blik op diens oeuvre. Typisch Bas: niet de interviewer, in de eerste plaats, maar de duider, met reflectie vanuit een persoonlijke betrokkenheid, die met een verhaal kwam dat de zanger – na vertaling – ongetwijfeld omarmd zou hebben omdat het hem de ogen zou hebben geopend. Zong Barry White dansbare liefdesliedjes? Welnee – in het universum van Bas zijn het ‘uitgesponnen ritmische mijmeringen’ en ‘zachtmoedige aansporingen om samen met hem het mysterie van het lichaam te verkennen’.

Ik begreep pas goed wat Bas in zijn gesprek met Barry White was overkomen toen ik in zijn essaybundel Zang zijn verslag las van de ontmoeting met de door hem zeer bewonderde sopraan Mirella Freni. Tijdens zijn interview met de zangeres had hij na vijf minuten nog geen vraag gesteld, geschokt was hij door het feit dat zijn idool – zo bleek – op tv naar zoiets banaals als Wimbledon keek. Hij was niet in staat in de doodgewone, hartelijke vrouw die tegenover hem zat de stem te ontdekken die zijn ziel al die jaren zoveel te zeggen had gehad. Bas werd – zou je kunnen zeggen – met stomheid geslagen. ‘Gedurende de rest van het interview hoopte ik eigenlijk maar één ding: dat ze zou zingen. Heel even maar – ik hoopte vurig dat er één moment zou zijn dat wat zich in mijn hoofd bevond zou samenvallen met de vrouw die naast me zat.’

Ik ken Bas al dertig jaar, hij was vaak mijn gids in de kunsten. Hij tipte me films, hij liet me kennismaken met de Italiaanse zangeres Ornella Vanoni, opende me opnieuw de ogen voor Couperus, hij wees me op uiteenlopende schrijvers als Sandro Veronesi, Kerstin Ekman, Lorrie Moore, Natalia Ginzburg, Chang-Rae Lee en Hans Fallada. Onlangs nog attendeerde hij me op Late roem, een novelle van Arthur Schnitzler die pas in zijn nalatenschap werd ontdekt en in 2014 werd uitgegeven. Schnitzler ontmantelt daarin met geestige meesterhand de holle retoriek van het kunstenaarschap en de illusies van het schrijverschap.

Maar ook privé kan Bas ‘leidsman’ zijn – bij een ander zie je soms scherper de verlangens, valkuilen en tekortkomingen dan bij jezelf. Relatieperikelen, werkperikelen – kunst op tv blijft kwetsbare materie –, het verdriet om wat onherroepelijk verdwijnt; Bas ziet het soms eerder dan ik het zie, en reageert onverschrokken en nietsontziend, maar ook met compassie. Begin dit jaar gaf ik een interview aan Volkskrant Magazine waarin ik nogal openhartig was over mijn obsessies en angsten – maar Bas vond het een betekenisvol verhaal en formuleerde in een app de rode draad: ‘Het gaat over jouw angst om diepe twijfels en angsten echt aan te raken, en dat je vervolgens gaat organiseren en ook heel persoonlijke dingen een etiket geeft, als een soort ontsnapping.’ En meteen erop volgde een app die dat bericht in een groter, met werk samenhangend kader plaatste: ‘Ivo van Hove heeft dat ook een beetje, daarom vond ik zijn laatste Couperus zo verrassend.’

Bas doelde op de voorstelling De dingen die voorbijgaan, van Toneelgroep Amsterdam, geregisseerd door Ivo van Hove, die zich daarvoor door Bas’ essay over Couperus heeft laten inspireren. We deelden hetzelfde oordeel: we waren allebei onder de indruk van de voorstelling, van de concessieloze en ook hartverscheurende wijze waarop de thematiek vorm was gegeven, van de essentie die Van Hove gevangen had – hoe om te gaan met de demonen van het verleden, met het lot waarvan je je niet kunt bevrijden, met het onvermijdelijke van vergankelijkheid. En hoe, tegen dat decor, het leven betekenis te geven. ‘Alles wat we ooit opbouwen zal ooit vergaan,’ zei Bas in Opium – de les die Couperus hem leerde.

Dat besef komt, Bas’ wat ongenaakbare imago ten spijt, voort uit een diepe bron, heb ik in al die jaren vriendschap vaak gemerkt, een oprechte bekommernis om wat hem in het leven ontvalt of dreigt te ontvallen, zijn geliefde, zijn ouders, zijn vrienden – en dan schieten woorden soms tekort, zelfs in het geval van Bas. Over zijn diepste zorgen spreekt hij zich zelden hardop uit, en al helemaal niet in het openbaar. Ik herinner me hoe hij in 2001 aan een persoonlijk interview onderworpen werd, en de interviewster na afloop met de handen in het haar zat: nog nooit had ze iemand met zo veel wezenloze afstand over zijn vroegste herinneringen horen spreken. Maar, het zij me hopelijk vergeven, toch even behoedzaam uit de school geklapt hier, over momenten waarop bloemrijke analyses geen zin hebben – de momenten waarop ik Bas zie zoals ik hem het best ken, en hij mij het meest dierbaar is. Zoals wanneer hij over zijn levensgezel Peter spreekt, op wiens intuïtie hij – als het er écht op aankomt – voorbehoudsloos vaart, zonder enige behoefte aan duiding. Nog altijd refereert Bas aan zijn kat Lino, die hij mist, een kat met karakter die soms zelfs over Bas leek te waken. We spreken over zijn teleurstelling als hij zich in een vriendschap verraden voelt, we praten over generatiegenoten die ons zijn ontvallen, zoals zijn vriend Michaël Zeeman, met wiens verscheiden ook een eigenzinnige geest en grote eruditie verloren gingen. En we spreken over Bas’ ouders, die kort na elkaar, in 2013 en 2014, overleden en die ik – gelukkig – geregeld heb ontmoet. Ik herinner me de roerende beschrijving die Bas, niet lang voor haar dood, van zijn moeder gaf. Zij was jarenlang zijn steun en toeverlaat en misschien ook wel zijn gids geweest – als ik me niet vergis droeg Bas een tijd lang zijn columns vóór publicatie door de telefoon aan haar voor, en als zij zag dat het goed was, wás het goed. Maar ze begon in de laatste fase van haar leven te dementeren, moest naar een verzorgingstehuis, kon daar amper aarden en verzette zich af en toe. Bas zag het met lede ogen aan, maar toen hij haar op een dag opzocht deed ze iets wat ze in een ‘vorig’ leven nooit zou hebben gedaan: hij trof haar in de aula, waar ze, onder muzikale begeleiding, ‘Brandend zand’ zong, samen met alle lotgenoten, moegestreden wellicht, of berustend in haar lot. Bas stond achter in de aula, zij zag hem niet, hij haar wel – en hij vertrok, zonder een woord te zeggen, omdat ze eindelijk even rust had gevonden, en hij die rust niet wilde verstoren.

Carl en Loodje, Bas’ ouders, zouden trots zijn geweest op deze toekenning van de P.C. Hooft-prijs, liet Bas zich laatst tegenover mij ontvallen. ‘Houd jezelf schaars,’ hield zijn moeder hem voor, als Bas op een onbewaakt ogenblik overstag dreigde te gaan voor een podium dat hem niet ter zake doende erkenning zou bieden. Vooral zij erkende en herkende de essentie van zijn schrijverschap, zijn onderzoekende geest, niet gevoelig voor de korte baan, opsmuk en voor de hand liggend effectbejag. En die essentie komt, wat mij betreft, misschien nog beter tot z’n recht in zijn essays en beschouwingen dan in zijn columns. Die veroordelen hem immers ook tot de waan van de dag en het circus van meningen, het terrein waaraan Bas tegelijkertijd graag ontsnapt. Direct na de toekenning van de P.C. Hooft-prijs liet hij weten: ‘De essays dreigen soms aan het zicht te worden onttrokken door het rumoer dat door de columns wordt veroorzaakt.’ En in de Volkskrant vertelde hij in februari van dit jaar dat hij gemakkelijk afscheid van zijn columns zou kunnen nemen, ‘want er zijn zoveel andere dingen die ik nog zou willen schrijven. Het Geweten van Nederland, noemen ze me weleens, dan krimp ik toch een beetje ineen. Stel je voor dat er iets was als de columnist des Vaderlands, ik zou nog liever doodgaan.’ Des te mooier dat hij hier vandaag geëerd wordt voor zijn beschouwend oeuvre.

Bas woont een deel van het jaar in Parijs, op broodnodige afstand van de Hollandse waan van de dag, zoals Louis Couperus vaak in Italië verbleef. Er zijn, het moge duidelijk zijn, veel meer parallellen. Aan het slot van zijn essay Angst en schoonheid dicht Bas Couperus een aantal eigenschappen toe die in hoge mate ook voor hemzelf gelden: openheid, een poreuze persoonlijkheid, een grenzeloze verbeelding, en, niet in de laatste plaats, een ontvankelijkheid voor ‘de mystiek der zichtbare dingen’.

Een oproep om in onbevangenheid en met scherpzinnigheid, en zonder pasklare antwoorden, te observeren, te lezen, te ervaren, en achter de façade te kijken, op zoek naar de dingen die je in eerste instantie niet ziet en die toch zinvol blijken te zijn, in een vaak onbegrijpelijke wereld – dát is wat hij ons, en mij, leert. En die wereld wordt er misschien niet altijd begrijpelijker door maar – dankzij Bas’ blik en aansporing – wel mooier, en troostrijker, en draaglijker.

Als Bas een nieuw boek publiceert schrijft hij altijd een opdracht in het exemplaar dat ik van hem krijg. Altijd dezelfde opdracht, voor het eerst in 1989, toen Heilige monsters verscheen, een bundeling van zijn eerder in Vrij Nederland verschenen columns. ‘Ter herinnering aan een onvergetelijke avond,’ noteerde hij, en dat staat, handgeschreven, sindsdien in alle boeken die ik van hem kreeg – toch al gauw zo’n vijfentwintig. Laten we dat vandaag, bij de toekenning van de P.C. Hooft-prijs 2017, vieren: een onvergetelijke avond, en een onvergetelijke middag, dankzij onvergetelijke beschouwingen, onvergetelijke analyses en een onvergetelijk scherpe en onderzoekende blik, en niet in de laatste plaats, wat mij betreft, ook een onvergetelijke vriendschap.

Woord van dank door Bas Heijne:

Geachte leden van de jury, leden van het bestuur, dames en heren, vrienden,

‘Hij wil alles aanraken.’ Ik denk vaak aan die woorden – ze werden begin jaren zeventig uitgesproken door een schoolpsycholoog van het Haarlemmermeer Lyceum te Badhoevedorp. Het ging over mij als twaalfjarige brugklasser en het was niet de bedoeling dat ik ze zou horen.

Mijn vader was bij de schoolpsycholoog geweest om naar aanleiding van een persoonlijkheidstest te bepraten welke kant het met mij op moest, en omdat mijn moeder ziek in bed lag, had hij toestemming gevraagd het gesprek op te mogen nemen – op een nieuw snufje, een bandrecorder op zakformaat. Dat wilde ik niet missen, die kleine bandrecorder met zijn predigitale spoeltjes niet, en al helemaal niet wat de psycholoog over mij te zeggen had gehad. Ik zeurde net zo lang totdat mijn ouders mij de band lieten afspelen. ‘Hij pakt alles op, al is het maar even, hij wil alles aanraken.’
Ik was eerzuchtig en voelde me gestreeld. Ze bedoelde het positief, al klonk er hoorbaar verbazing in haar stem over zoveel ongerichte gretigheid.

Tegelijk woelde er onrust, op de achtergrond. Ik vond het leuk om aandacht te krijgen, niet leuk om bekeken te worden. Wat bedoelde ze eigenlijk met dat aanraken – wás het wel positief bedoeld, vond ze het eigenlijk niet ontzettend vreemd? Ik begreep vagelijk dat het een beetje een zielige indruk kon maken – dat jongetje dat zo graag de hele wereld wilde aanraken, zo wanhopig kennis, indrukken en ervaringen verzamelde. Was het niet gewoon eenzaamheid?

Ik zei het, het waren geen echte vragen. Het was een onzeker gevoel, en voor iemand die altijd meer met de dingen om zich heen bezig was dan met zichzelf, bleven ze lang ver op de achtergrond. Ik behoor tot een lichting die het liefst via de band speelt, die liever observeert dan poneert, een generatie die van een voorgaande meekreeg dat je de wereld niet radicaal naar je hand kunt zetten, vergeet het maar – en daarna lange tijd werd wijsgemaakt dat de geschiedenis sowieso ten einde liep. Maar gaandeweg, nadat ik begin jaren negentig merkte dat ik het schrijven van fictie als een voor mij vruchteloze omweg begon te beschouwen, drongen die onuitgesproken vragen zich steeds meer aan mij op – waarom de wereld aanraken met woorden? Waarom observeren, duiden, beschouwen? Waar lag de scheidslijn tussen veelzijdigheid en versnippering?

Terwijl ik uitwaaierde over steeds meer genres, en intussen steeds meer naar de essayistiek en journalistiek opschoof – en vanaf 2001 columnist werd voor nrc Handelsblad –, kreeg ik langzamerhand door dat de kern van mijn schrijverschap, als je al van een kern kon spreken, zich juist in dat aanraken, in de relatie tussen mijzelf en de wereld, bevond. Die kern was uiterst instabiel, omdat de relatie tussen een individu en de wereld waarin hij leeft nu eenmaal altijd instabiel is.

Tot op zekere hoogte geldt dit voor alle schrijvers, maar het meest voor de essayist, omdat hij het zonder de verhullende, beschermende narratieve lagen van de fictie moet doen. De journalistiek, zoals mijn vriend en voorbeeld Frans Kellendonk al schreef, spreekt vanuit een wij, de poëzie vanuit een ik. De essayist beweegt zich, tastend en zoekend, ergens daartussenin.

In zijn in februari van dit jaar verschenen essay Le Triomphe de l’artiste, dezelfde maand waarin hij overleed, verhaalt de door mij zeer gewaardeerde Bulgaars-Franse essayist Tzvetan Todorov hoe Russische kunstenaars als Babel, Boenin en Pasternak, Majakovski en Malevitsj zich verhielden tot de Russische Revolutie en het daaropvolgende communistische regime. In veel gevallen ging het om revolutionair enthousiasme dat snel bekoelde, en vaak, zoals in het geval van Babel en Meyerhold, eindigde het in gevangenschap, marteling en executie. Anderen emigreerden of werden verbannen, of kozen, zoals de componist Sjostakovitsj, voor een bijna schizofreen bestaan, waarin men zich naar buiten toe volledig conformeerde aan de holle taal van de dictatuur, terwijl men in zijn kunst vrijheid van expressie zocht.

Toen het regime zich na de Oktoberrevolutie rücksichtslos tegen artistieke vrijheid begon te keren, leidde dat bij Pasternak tot een lange stilte. Voor hem, schrijft Todorov, was kunst niet autonoom, en de kunstenaar niet iemand die zich zo nodig in zichzelf kon opsluiten, die zijn kunst kon afschermen van de wereld. Hij had aan zichzelf niet genoeg, hij had de buitenwereld nodig. In essays die hij in de jaren van de revolutie schreef en begin jaren twintig publiceerde, ging Pasternak recht tegen zijn radicaal modernistische tijdgenoten in. Kunst, schreef hij, moeten we ons niet voorstellen als een fontein die zijn water op de aarde laat neervallen – eerder als een spons. Volgens de dichter Pasternak is het de taak van de kunst om wat er buiten ligt te absorberen, waarbij alles aankomt op de precisie van de perceptie. De dichter beschouwt de wereld en ziet het als zijn opdracht dat zo getrouw mogelijk te doen. Pasternak: ‘Het enige wat in onze macht ligt, is erin slagen de stem van het leven die in onszelf resoneert niet te vervormen.’

Pasternak was dichter en later romanschrijver, maar dat beeld van de geest van de schrijver als spons spreekt ook mij aan. Om een goede spons te kunnen zijn moet je openstaan voor de wereld om je heen, zo poreus mogelijk zijn, zoveel mogelijk binnenlaten – en tegelijk zelf zo authentiek mogelijk blijven, alles toetsen aan de persoonlijke ervaring. Anders word je, in Todorovs samenvatting van Pasternaks woorden, een platte conformist, die zijn creativiteit onderwerpt aan de waan van de dag. Dat evenwicht, vervolgt Todorov, tussen aandachtige beschouwing, je zo wijd mogelijk openstellen voor indrukken en ervaringen, en oprechte zelfexpressie is niet gemakkelijk te bereiken – dat is die instabiele kern waar ik eerder over sprak. De waan van de dag ligt altijd op de loer. Abstracties en algemeenheden staan klaar als gerieflijk, zij het tijdelijk houvast. Altijd is er onzekerheid over je perceptie – zie ik het goed? Is het echt zo?

Bij mij duurde het lang voordat ik begreep wat ik als schrijver eigenlijk wilde – als mens ook, trouwens. Pas toen ik in 1999 voor nrc een reeks korte essays schreef die ik later bundelde in De wijde wereld maakte aanraken plaats voor absorberen. Eindelijk voelde ik me een spons. Wat is het – en wat doet het met mij? Dat zijn sindsdien de leidende vragen in mijn schrijven, zowel in mijn journalistieke als essayistische werk – het maakt eigenlijk niet uit waarover ik schrijf, over Louis Couperus of over Mark Rutte, over het nakende einde van het humanistische mensbeeld of het a4’tje van Geert Wilders, over het nieuwe onbehagen in de cultuur of de jaarlijks georganiseerde nationale teleurstelling die Elfstedentocht heet.

Vanaf Montaigne hangt de essayist maar één geloof aan: het humanisme. Dat geloof, of misschien moet je het overtuiging noemen, ligt aan de wortel van het genre: onderzoeken wat een mens eigenlijk is, wat hem beweegt, hoe hij zich tot de wereld verhoudt, de eindeloze schakeringen tussen binnen‑ en buitenwereld, wat er in je hoofd zit en wat zich daarbuiten bevindt. Voortdurend pendelt de essayist heen en weer tussen een mens en dé mens. Geen geloof zonder twijfel – en geen twijfel zonder geloof. De afgelopen jaren heb ik mij steeds meer op de staat van dat humanisme zelf gericht. Ik ben er langzaam maar zeker van overtuigd geraakt dat het idee van de mens dat we uitdragen allang niet meer overeenkomt met de mens zoals die in onze cultuur beleefd wordt – zoals kinderen, en ook veel volwassenen, wanneer ze een huis tekenen daar altijd een puntdak opzetten, terwijl er in werkelijkheid nog maar heel weinig huizen met puntdaken zijn. Nieuwe technologieën stellen de mens steeds meer in staat de mens te maken, God en de natuur lijken steeds meer naar de achtergrond te raken – en wat voor mens gaan we dan maken? Wat voor mens willen we zijn? Tegelijkertijd zie ik in onze cultuur allerlei verschuivingen, waarvan bijvoorbeeld het nieuwe populisme in de politiek een uiting is, die het gevolg zijn van veranderende opvattingen over wat een mens is – en vooral over wat hij zou moeten zijn.

Die verschuivingen en veranderingen zijn het terrein van de geschiedenis, van de filosofie en de wetenschap – maar ze zijn ook het terrein van de essayist. Wat is het en wat doet het met mij? Vrijblijvend zijn die vragen nooit geweest, maar ze zijn ook al lang niet meer gerieflijk. Het is steeds lastiger om al die grote woorden, grote woorden in de wetenschap, grote woorden in de politiek, grote woorden in de media, terug te brengen tot menselijke proporties, te beschrijven hoe ze beleefd worden. Wanneer een wereld te complex dreigt te worden, valt men terug op trefwoorden. Het is de taak van de essayist – of liever: het is wat deze essayist als zijn taak ziet, om die woorden persoonlijk te maken, in te bedden in de menselijke ervaring.

Dames en heren, dat de jury besloten heeft mij de P.C. Hooft-prijs 2017 toe te kennen beschouw ik in de eerste plaats dan ook als een aanmoediging om het spoor dat ik in mijn werk heb blootgelegd verder te volgen. Ik zie het bovendien als een steunbetuiging voor mijn soort essayistiek; persoonlijk, maar ook beschouwend, kunst, filosofie en politiek met elkaar verbindend, een essayistiek die de wereld met open armen tegemoet treedt.
Maar, laat ik daar rond voor uitkomen, het voelt ook gewoon als een grote eer. Ik ben ‘aangeraakt’ – en daarvoor dank ik u.